Medio 1970 zat de toen 16 jarige Johan Graas op de verjaardag van zijn vader te luisteren naar een verhaal van een oom van  hem. Deze vertelde een verhaal over een zwemvest dat hij in de oorlog uit een gecrasht geallieerd vliegtuig had meegenomen.  Het vliegtuig was neergekomen tussen Jisp en Purmerend.  De oom vertelde dat de naam van de vorige eigenaar er nog op stond en dat deze Cracker heette.  Johan was door dit verhaal zo onder de indruk dat hij hier meer van wilde weten.  Na links en recht wat nagevraagd te hebben hoe je zoiets aanpakt belandde hij in het gemeentearchief van Jisp.  Hij ontdekte dat het vliegtuig, een Consolidated B-24 Liberator op 6 maart 1944 was neergestort. Na dit bezoek aan het gemeentehuis besloot Johan een bezoek te brengen aan de crashplaats en met de landeigenaar te gaan  praten. De boer vertelde Johan dat en volgens hem nog mitrailleurs in een greppel zouden moeten liggen. Om de juiste plek van de crash te kunnen vaststellen kwam de jonge Graas terug op de plek met een van zijn zakgeld  gekochte metaaldetector. Al snel bleek er nog metaal in de grond te zitten. De boer vond dit zo interessant dat hij direct toestemming gaf om te mogen graven. Bij de eerste schep was het al raak, een  tang uit het vliegtuig. Direct werd besloten om de rest ook maar te gaan bergen. Na een uitgevoerde berging lag een gedeelte van de buikkoepel met mitrailleurs en een propeller op het land. De boer had dus  toch gelijk gehad. Na deze berging was de jonge Graas niet meer te houden en ging zich in de geschiedenis van het vliegtuig verdiepen. Het lukte zelfs om een paar bemanningsleden op te sporen. Zo kwam hij in contact met de eigenaar van het zwemvest, Cracker  en de buikkoepelschutter Victor Krueger. Met beiden heeft hij persoonlijk kunnen spreken. Uit de gesprekken met deze mannen realiseerde Johan zich dat toen het vliegtuig neerstortte, de bemanning bestond uit jonge  mannen van begin 20. Wie ging er nu op die leeftijd naar de andere kant van de wereld om te vechten?? Met deze gedachte ging Johan zijn onderzoek uitbreiden naar een wijdere omgeving rond zijn woonplaats. Hij ontdekte dat er  in heel Noord-Holland nog en groot aantal vliegtuigen in de grond lagen, vaak met de bemanningen nog in het wrak. Intussen was Johan lid geworden van de studiegroep Luchtoorlog. Een jaar na de oprichting van deze groep was er een open dag op vliegbasis Deelen. Samen met lammert Melk, ook een Zaankanter, ging hij naar Deelen en zo kwam hij in contact met  Jon van der Maas. Jon was geïnteresseerd door het verhaal van zijn opa over een crash van een ventura in de Amsterdamse  van Bossestraat, bij opa om de hoek. Elk jaar gingen opa en Jon naar de Nieuwe Ooster Begraafplaats om bloemen te leggen. De vriendschap tussen Johan en Jon heeft jarenlang voortbestaan en heeft uiteindelijk geleidt tot de oprichting van de stichting  ARG. De eerste gezamenlijke berging was in Vreeland, een Focke Wulff 190 in 1978. maar er volgde nog veel meer bergingen. In de loop der jaren hadden de twee jongens zoveel materiaal verzameld dat het over meerdere schuren van bevriende boeren  verspreidt lag. Begin 1980 werden Jon en Johan benaderd door een paar mensen om hun spullen tijdelijk ten toon te stellen in het dorpshuis  van Wormerveer.  Zo gezegd zo gedaan. Een van de bezoekers van de tentoonstelling adviseerde de jongens om er een permanente  tentoonstelling van te maken. Uit ballorigheid zeiden de mannen: prima, regelt U een ruimte, regelen wij de spullen. De bewuste bezoeker was een medewerker van het Hoogheemraadschap Noord-Holland-Noorderkwartier en bood de mannen twee weken later een kruidkamer aan, aan de Zeedijk in Assendelft.  Er was alleen een klein probleempje, het moest een beetje opgeknapt worden. Dit opknappen duurde in totaal 4 jaar. Om financiëel en juridisch sterker te staan werd tijdens dit opknappen besloten een stichting op te richten, en werd op 6  november 1986 de Stichting Aircraft Recovery Group 1940-1945 opgericht. 28 april 1989 werd het tot museum “Icarus en Mars” omgedoopte kruitkamer in het bijzijn van ongeveer 80 veteranen door 2de piloot Sam Gundy geopend. Gundy kreeg deze eer omdat hij het dichtst bij het museum met zijn B17 neergestort en veilig  met zijn parachute was geland. In het eerste jaar dat het museum geopend  was werd er toevallig ook een open huis in Fort Veldhuis gehouden. De eigenaar,  Landschap Noord-Holland, zocht een mooie bestemming voor dit fort. Johan zag het fort als mooie opslagruimte, want de kruitkamer was lang niet groot genoeg om alle gevonden onderdelen op te slaan en ten toon te stellen. Landschap Noord-Holland, vond geen goed plan, men vond dat het fort opengesteld diende te zijn voor het publiek. Zo werd dus besloten dat Fort Veldhuis een museum werd, de kruitkamer werd afgestoten en werd door Johan als privé- museum verder uitgebaat. Inmiddels is het luchtoorlogsmuseum Fort Veldhuis uitgegroeid tot een internationaal bekend museum  met tientallen  vrijwilligers en bijna 400 donateurs en zijn er zelfs plannen in een vergevorderd stadium om een compleet vliegtuig aan de  collectie toe te voegen. Waar een verhaal op een verjaardag al niet toe kan leiden         Het ontstaan van de Stichting